Doe-het-zelf-procedure voor adoptieouders

uit: Trouw

Vanwege de lange wachtlijsten bij adoptiebureaus, overwegen steeds meer aspirant-ouders om zelf op zoek te gaan naar een adoptiekind. De Belangenvereniging voor Zelfdoeners in Adoptie (BZA) groeide het afgelopen half jaar van 270 naar circa 400 leden.

De zelfdoeners staan wel bekend als ’eigengereide mensen die gewoon even een kindje gaan halen', zegt Martin Blees, adoptievader van twee afro-Amerikaanse kinderen en bestuurslid van de BZA. „En dat steekt. Want ik denk dat zelfdoeners twintig keer zo streng gecontroleerd worden als de adoptiebureaus.”

Hij schetst de doe-het-zelf-procedure in een notendop. Aspirant-ouders (in het bezit van een beginseltoestemming van de Raad voor de Kinderbescherming) gaan zelf op zoek naar een betrouwbaar contact in het adoptieland. Dat kan een advocaat zijn, of de directeur van een kindertehuis, of een adoptiebureau ter plekke.

Vervolgens moet een Nederlands adoptiebureau (bijvoorbeeld Kind in Toekomst of Wereldkinderen) dat contact controleren, om wanpraktijken als kinderroof uit te sluiten. Daarna volgt nog een tweede onderzoek door het ministerie van Justitie. Dat stelt vragen als: hoe kunt u garanderen dat de biologische moeder op ethische wijze afstand van het kind deed? En: wie krijgt er betaald, welk bedrag en is dat redelijk?

De controle vanuit Nederland is zo streng en neemt soms zoveel tijd in beslag, zegt Blees, dat contactpersonen wel eens afhaken: „Ik hoorde van mensen in Oeganda dat ze zich ondervraagd voelden als criminelen. Die stopten ermee”. Hij denkt dat Justitie de zelfdoenersprocedure bewust vertraagt: „Medewerkers van Justitie zeggen het niet hardop, maar ze zijn niet blij met ons. Ze zijn bang voor kinderhandelpraktijken”.

Naar dat risico verwijst ook Martien Miedema van Wereldkinderen, het grootste adoptiebureau in Nederland: „Wij zijn absoluut niet enthousiast over de zelfdoeners, al twijfelen we niet aan hun goede bedoelingen. Maar omdat adoptie een emotioneel proces is, is het voor hen ondoenlijk om met gepaste afstand de procedure te doorlopen”.

Met die kritiek is Blees het oneens, al beaamt hij dat zelfdoeners misstanden nooit helemaal kunnen uitsluiten. Maar dat geldt ook voor de adoptiebureaus, zoals onlangs weer bleek uit het schandaal rondom stichting Meiling. Die bemiddelde bij de adoptie van ruim vijftig kinderen uit Malaysian Social Service, een Indiaas kindertehuis dat mogelijk betrokken is bij kinderroof.

Makkelijk hebben zelfdoeners het sowieso niet, want voor het leggen en onderhouden van een betrouwbaar contact in (bijvoorbeeld) Haïti, Nigeria of Oekraïne is heel veel tijd vereist en kennis van de lokale situatie. Ze vormen daarom tot nog toe een kleine minderheid: vorig jaar kwamen er zo'n 30 zelfdoe-adopties tot stand (op een totaal van 816 adopties).

Of de nieuwe leden van de BZA erin slagen om zelf de adoptie van hun kind te regelen, is nog de vraag. Amerika is voor zelfdoeners het toegankelijkste land, omdat er veel adoptiebureaus en gespecialiseerde advocaten zijn. Het is bovendien eenvoudig om met Amerikaanse contactpersonen te bellen of te e-mailen.

Maar rond eind dit jaar tekenen de Verenigde Staten het Haags Adoptieverdrag en het is niet bekend, zegt Blees, of Nederlandse zelfdoeners dan nog toestemming krijgen van Justitie om Amerikaanse kinderen te adopteren.

Doe-het-zelf-adopties uit andere landen dan de Verenigde Staten zijn, aldus Blees, „een marginaal verschijnsel. Ik wil de BZA-leden geen valse hoop geven”.

Extreem lange wachtlijsten

Op de wachtlijst van de Stichting Adoptievoorzieningen staan momenteel zo’n 4000 aspirant-ouderparen; vorig jaar kwamen 816 kinderen voor adoptie naar Nederland. De wachttijd voor een jong, gezond kind kan inmiddels oplopen tot acht à tien jaar.

Het aantal adoptiekinderen daalt, vooral als gevolg van ontwikkelingen in China, voorheen het belangrijkste herkomstland. China heeft onlangs het Haags Adoptieverdrag getekend en zoekt nu eerst naar adoptieouders in eigen land.

De Stichting Adoptievoorzieningen voorziet voorlopig geen stijging van het aantal adoptiekinderen. Hoogleraar adoptie Femmie Juffer benadrukt dat er altijd schommelingen zijn geweest: „In de jaren negentig kwamen er ineens ook veel minder adoptiekinderen naar Nederland”. Het zou best kunnen, zegt zij, dat er in de toekomst meer Afrikaanse kinderen worden geadopteerd, die wees zijn geworden als gevolg van de Aidsepidemie.

Alle adoptiedeskundigen zijn het erover eens dat een groeiend percentage van de adoptiekinderen in de categorie ‘special needs’ (extra zorg) vallen. Zij zijn moeilijk te plaatsen in eigen land, bijvoorbeeld vanwege een medisch dossier of een hoge leeftijd.